Het Nederlandse pensioensysteem: herijking of systeemcrisis?
24-08-2010 - Deskundigen vallen sinds het uitbreken van de crisis over elkaar heen in hun analyses van het Nederlandse pensioenstelsel. Geen dag gaat voorbij zonder dat er een artikel in de pers verschijnt over de zware storm waarin ons pensioenstelsel zich bevindt. Deloitte heeft begin 2010 een onderzoek verricht, waaruit bleek dat de CFO's in Nederland zich in het algemeen klaar achten voor dit zware weer en vasthouden aan het bestaande pensioenstelsel. In dit artikel wordt een schets gegeven van enkele uitdagingen waarvoor CFO's de komende tijd op pensioengebied staan.
Waar komen we vandaan?
De financiering van Nederlandse pensioenregelingen geschiedt op basis van kapitaaldekking. De pensioenopbouw wordt jaarlijks door premiebetaling afgefinancierd. Door dit collectief te organiseren heeft het systeem een grote mate van risicospreiding en solidariteit. Tot de huidige crisis werkte deze solidariteit relatief goed, ook in financieel mindere tijden. Voor de crisis was de kracht van het premie-instrument wel al beperkt, maar bij tegenvallers was de combinatie van het premieinstrument en het indexatie-instrument toch voldoende zodat er geen buitensporige premieverhogingen benodigd waren. In betere tijden kon er vervolgens inhaalindexatie en premiekorting toegekend worden, waarmee de basis voor solidariteit behouden bleef.
Het pensioenstelsel leek een grote mate van zekerheid te bevatten. De crisis, in combinatie met het toezichtkader en de veranderende demografische samenstelling, heeft echter aangetoond dat de veronderstelde zekerheid in werkelijkheid broos is. Gepensioneerden zien de waardevastheid van hun pensioenuitkering (en soms zelfs de nominale zekerheid) in gevaar komen en roepen om premieverhogingen. Werkgevers en werknemers zien hier logischerwijs niets in. Gegeven de beperkte kracht van het premie-instrument lijkt dit ook geen optie. De crisis noopt ons daarom ons geroemde pensioensysteem tegen het licht te houden.
Wat is er veranderd?
De crisis heeft een groot gat geslagen in de financiële gezondheid van ons pensioenstelsel. De essentiële vraag is nu of aan het model gesleuteld moet worden, of dat binnen het model aanpassingen gewenst zijn. Een drietal commissies heeft zich recentelijk gebogen over belangrijke pensioenvraagstukken. De commissie- Don heeft zich uitgesproken over de parameters waarmee pensioenfondsen hun financiële beleid vormgeven. De commissie-Frijns heeft een advies uitgebracht over beleggingsbeleid, risicobeheer, uitvoering en governance van pensioenfondsen. Als laatste heeft de commissie-Goudswaard de resultaten van onderzoek naar de toekomstbestendigheid van aanvullende pensioenregelingen gepubliceerd.
De adviezen van Don, Frijns en Goudswaard richten zich voornamelijk op de uitvoeringsproblemen van pensioenregelingen. Ook voor de crisis verschoof de aandacht al naar de uitvoering. Dit is tijdens de crisis verder versterkt. Ons inziens geven de analyses alle zeer valide punten, maar leidt de aandacht voor de uitvoering de werkgever af van de onderwerpen waarop de focus zou moeten liggen. Werkgevers moeten samen met werknemers de regie in handen nemen om te voorzien in een goede oudedagsvoorziening tegen een redelijke prijs. Verschillende wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat pensioenkosten onderdeel zijn van vooraf gedefinieerde totale loonkosten, waarmee werknemers feitelijk de doelstelling van werkgevers (zouden moeten) delen. De crisis heeft dit kostenbesef bij werkgevers nadrukkelijker op de agenda gezet. Uitvoering zal pas na vaststelling van de pensioenafspraken een rol moeten spelen.
Historisch gezien is het echter wel de vraag of de stijging van de kosten als buitenproportioneel kan worden bestempeld, zoals de consensus lijkt te zijn. Wanneer wordt gekeken naar pensioenpremies uit de jaren ‘70, blijken die regelmatig hoger te liggen dan de huidige premies. Hierbij dient wel aangetekend te worden dat beperking van de loonkosten door internationalisering sinds die periode nadrukkelijker op de agenda staat en een veel belangrijker concurrentie-element is geworden.
Next steps voor de CFO
Het verbaasde ons enigszins dat wij begin 2010 uit ons onderzoek moesten concluderen dat CFO’s op korte termijn geen grote aanpassingen nodig achten in hun pensioenvisie. Juist omdat de huidige crisis een breed palet aan kansen oplevert om de afspraken tussen werkgever en werknemers te optimaliseren. Besparingsmogelijkheden liggen hier in het verschiet, waarmee enerzijds een toekomstbestendige pensioenvoorziening gerealiseerd kan worden en anderzijds kostenstijgingen voor zowel werkgever als werknemer beperkt worden. Het systeem hoeft niet op de schop, maar de invulling mogelijk wel aangepast. Gegeven deze analyse is het essentieel dat werkgevers fundamenteel (anders) gaan nadenken over de pensioentoezegging die aan werknemers aangeboden moet worden. En dat dit gekoppeld wordt aan een strategische visie op de totale arbeidsvoorwaarden.
Ouderenbeleid
Tot dusver zien wij relatief weinig voorbeelden van ondernemingen die pensioen- en ouderenbeleid met elkaar integreren, terwijl deze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. In figuur 1 en 2 hebben wij recente cijfers opgenomen van het Centraal Bureau voor de Statistiek over arbeidsparticipatie en de opbouw van de beroepsbevolking. Het Centraal Planbureau heeft in een studie uit april 2009 naar de arbeidsparticipatie van ouderen aangetoond dat de arbeidsparticipatie voor 55 tot 64-jarigen in 2020 stijgt naar circa 60 procent. In 2010 lag deze participatie op ongeveer 50 procent. Gegeven de discussie over een verhoging van de AOW-leeftijd, is de verwachting dat de pensioenleeftijd in pensioenregelingen ook opgetrokken gaat worden (op termijn). In dat geval is het essentieel een personeelsbeleid te voeren waarin gericht aandacht wordt besteed aan de inzet van ouderen.

![]()

Demografische ontwikkelingen
Demografische ontwikkelingen lopen als een onzekere rode draad door de pensioendiscussie heen. Door recente cijfers van het CBS staan de pensioenfondsen voor een aanvullende verhoging van de pensioenverplichting tot wel 7 procent. Bij een gemiddelde stijging van 5 procent betekent dit een additionele last van circa 30 miljard euro voor de Nederlandse pensioenfondsen. Indien dit effect wordt omgeslagen in een premieverhoging, zal de premie de komende 5 jaar circa 20 procent extra verhoogd worden. Het alternatief is dat er jaren geen toeslagen verleend kunnen worden.
Ook de verschuiving van de verhouding tussen het aantal premiebetalers en inactieven legt een grote druk op ons stelsel. Premiebetalers stellen zich de vraag waarom de rekening voor de huidige tekorten bij hen neergelegd wordt. Het huidige tekort duidt immers op in het verleden te weinig betaalde premie. Solidariteit en zekerheid worden in een dergelijke omgeving kostbare en riskante aangelegenheden. Om de kracht van ons stelsel te behouden zijn aanvullende solidariteitsprincipes nodig. Denk aan herinrichting van beleggingsportefeuilles, herstel van vertrouwen in het pensioenstelsel door verbeterde communicatie, het betrekken van andere inkomensonderdelen in de discussie (bijvoorbeeld ziektekosten), verlaging van het basisniveau van het pensioen, gedifferentieerde premiestelling of pensioenopbouw, etc.
Individualisering
De roep van jongeren om meer flexibilisering in de pensioenvoorziening neemt toe. De roep om flexibilisering is een trend die niet alleen in de pensioendiscussie aan de orde is en gaat gepaard met een lagere loyaliteit richting de werkgever en de wens om een evenwichtigere balans tussen werk en privé te bewerkstelligen. Gegeven de kosten die jongeren voor hun kiezen krijgen, zonder de zekerheid zelf ooit van alle regelingen gebruik te kunnen maken, en gegeven hun beperkte pensioenkennis, lijkt de kans op individuele oplossingen in de toekomst groter dan voorheen. Gepensioneerden is er alles aan gelegen zich in te zetten voor een oplossing waarin ook de jongeren zich kunnen vinden. Een onderwerp als een bestuurszetel voor gepensioneerden is daarom uiterst controversieel, zoals ook blijkt uit het politieke besluitvormingsproces. Een dergelijke beleidswijziging zou voor jongeren een aanvullend signaal kunnen zijn om hun roep om meer individuele mogelijkheden kracht bij te zetten.
Rol toezichthouder en overheid
Gedurende de crisis heeft de toezichthouder er vanuit de markt fel van langs gekregen. Een veel gehoorde opmerking is dat men zich afvraagt of de toezichthouder zich wel op de juiste zaken en pensioenfondsen richt, voldoende diepgang zoekt en niet vervalt in het hanteren van afvinklijsten. Vanzelfsprekend heeft DNB hierop gereageerd door onder andere te stellen dat toezicht achteraf plaatsvindt en men dus een grote verantwoordelijkheid bij de fondsbestuurders legt.
Verder staan een aantal toezichts- en beleidsterreinen sinds het uitbreken van de crisis opnieuw in de steigers, waarbij de uitkomsten van lopende discussies niet te voorspellen zijn. Zowel het Ministerie van Sociale Zaken als DNB lijken de eisen omtrent de toegestane parameters strenger te willen insteken door bijvoorbeeld het rekenrendement naar beneden bij te stellen.
Dit betekent dat pensioenfondsen geconfronteerd zullen worden met een premieverhoging, en een verlaging van hun geschatte toekomstige dekkingsgraad waaruit een lager indexatiepotentieel kan resulteren en een risicovoller beleggingsbeleid, een verdere premieverhoging en in het uiterste geval een verlaging van nominale pensioenaanspraken.
Vanuit toezichtperspectief is de aanpassing van de parameters wellicht wenselijk, maar de praktijk leert dat pensioenfondsen er gezien de implicaties enorm mee worstelen. Hiernaast heeft DNB recentelijk in Buitenhof opgeroepen tot een beperking van het aantal pensioenfondsen tot ongeveer 100 en geponeerd over te stappen van nominale naar reële garanties.
Buiten dat het verschil tussen nominaal en reëel op dit moment beperkt is door de lage inflatie en in het voornaamste deel van de pensioenregelingen ook inhaalindexatie toegepast wordt, lijken vooral ouderen in indexatie geïnteresseerd. Echter, gezien de relatief kortere duur van de pensioenuitkering heeft een jaar zonder indexatie voor deze groep weinig effect. Juist jongeren maken zich hier minder druk om, terwijl het effect voor hen veel groter is.
Daarnaast moet worden afgevraagd of ouderen echt zo geïnteresseerd zijn in indexatie. Dit lijkt alleen het geval wanneer men het niet zelf hoeft te financieren. Een duidelijk voorbeeld hiervan is dat vrijkomende pensioenkapitalen door slechts een beperkte groep worden aangewend voor de inkoop van een reële of vast stijgende pensioenuitkering. Men kiest massaal voor een gelijkblijvende – bij de start hogere – uitkering.
Conclusie
De financiële crisis heeft alle pensioenpartijen in Nederland wakker geschud. De berusting in een status quo door CFO’s is, gegeven de immense veranderingen waarvoor het pensioenstelsel staat, ons inziens niet te prefereren. De crisis heeft een bres geslagen in de onbreekbaar geachte pensioendijken. Aan ondernemingen biedt dit kansen om de tot op heden onontdekte zwakke plekken te repareren. Uitgangspunt hierbij dient te zijn dat werkgever en werknemer het heft in handen nemen en binnen de bestaande contouren van het pensioensysteem back in control komen. Vooral als het gaat om de inhoud van de pensioenafspraken. Indien de lekken door deze partijen zijn gedicht, kan stilgestaan worden bij de uitvoering. En daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor alle type uitvoerders, overheid en toezichthouders.
Dirk Korbee is Director Actuarial & Employee Benefits bij Deloitte Financial Advisory Services